Informatie voor de verwijzer



Diagnose

Bij het stellen van een diagnose zal de hulpverlener in zijn gesprek niet alleen nagaan of de genoemde symptomen zich voordoen, maar ook vragen naar de familiegeschiedenis en eventuele psychische en sociale problemen uit het verleden. De actuele toestand van de cliënt is belangrijk, onder meer de vraag of hij een gevaar vormt voor zichzelf of anderen. Ook de lichamelijke toestand van de cliënt is van belang, omdat medicatie en lichamelijke aandoeningen een bron van psychotische verschijnselen kunnen zijn. Om andere ziektes uit te sluiten, kan bloedonderzoek of een hersenscan nodig zijn.

 

Combinaties met andere aandoeningen (comorbiditeit)

Zeker een kwart van de mensen met schizofrenie lijdt aan depressie of aan symptomen daarvan, vooral na een psychotische fase. Ook kan hun aandoening gepaard gaan met een angst- of dwangstoornis of een posttraumatische stress-stoornis. Dat laatste kan te maken hebben met de traumatische beleving van de psychose, de behandeling of de gevolgen van de ziekte.

Verder heeft een groot aantal mensen met schizofrenie ook te kampen met verslaving aan alcohol en drugs.

 

Medicijnen

Er zijn geen medicijnen die de oorzaak van psychoses wegnemen. Wel zijn er veel medicijnen die ze kunnen doorbreken, de bijbehorende klachten verminderen en nieuwe psychoses helpen voorkomen.

 

Na een eerste psychose moeten de medicijnen minimaal twee jaar worden gebruikt. Bij schizofrenie wordt sterk aanbevolen om altijd medicijnen te blijven gebruiken. Ook als iemand zich beter voelt. Dit vanwege de grote kans op een volgende psychose als iemand met de medicijnen stopt.

 

Antipsychotica zijn de medicijnen die het eerst in beeld komen. Deze helpen helderder te denken en wanen en hallucinaties naar de achtergrond te dringen. Ook verminderen ze klachten als afwezigheid en onbereikbaarheid. Deze medicijnen bevatten stoffen die de prikkeloverdracht tussen de zenuwcellen in de hersenen beïnvloeden.

Het duurt meestal enkele weken voordat het effect van antipsychotica merkbaar wordt. Om een goed effect te bereiken moeten de medicijnen met grote regelmaat worden ingenomen. Bij 10 tot 30 procent van de mensen werken antipsychotica niet of onvoldoende.

Antipsychotica kunnen bijwerkingen hebben. Deze verschillen per persoon. De meest voorkomende bijwerkingen zijn: bewegingsproblemen, lichamelijke onrust, gewichtstoename, gevoelsvervlakking en seksuele problemen. De nieuwere (atypische) antipsychotica hebben minder bijwerkingen en veroorzaken met name minder bewegingsproblemen.

Soms krijgt iemand antipsychotica in de vorm van injecties. Deze hebben dezelfde werking maar hoeven minder vaak gegeven te worden, namelijk eens per 2 à ´ weken. Zo'n injectie wordt ook wel een depot genoemd.

 

Als iemand tijdens een psychotische periode erg druk en ontremd is en weinig slaapt, kan lithium worden geadviseerd. Ook kunnen kalmeringsmiddelen en slaappillen worden voorgeschreven om iemand tot rust te brengen en minder angstig te maken.