Informatie voor de verwijzer



Diagnose
Bij het stellen van de diagnose zijn zowel de symptomen als gesprekken met de cliënt en zijn naaste omgeving van belang. Het laatste werpt meer licht op het verloop van de psychose en eventueel het beloop in de afgelopen jaren. Een algemeen lichamelijk onderzoek en bloedonderzoek kan aan het licht brengen of er lichamelijke oorzaken zijn.

Er zijn meerdere typen psychoses. Niet altijd is direct duidelijk om welk type het gaat en of de psychose deel uitmaakt van een andere psychische aandoening. Zo kunnen ook mensen met borderline psychotische verschijnselen vertonen. Vaak wordt de diagnose na verloop van tijd nog bijgesteld of verfijnd. Soms kan het jaren duren voordat de diagnose met zekerheid kan worden gesteld.

 

Combinaties met andere aandoeningen (comorbiditeit)

Een psychose kan worden veroorzaakt door lichamelijke ziektes of door gebruik van sommige geneesmiddelen of drugs. Ook kunnen ze worden veroorzaakt door stress. Daarnaast kunnen psychoses deel uitmaken van andere psychische aandoeningen als schizofrenie, een manisch depressieve stoornis ofwel bipolaire stoornis of een dissociatieve identiteitsstoornis (DIS). Een traumatische ervaring van een psychose kan leiden tot een posttraumatische stress-stoornis.

Medicijnen
Er zijn geen medicijnen die de oorzaak van psychoses wegnemen. Wel zijn er veel medicijnen die de psychoses kunnen doorbreken, de bijbehorende klachten verminderen en nieuwe psychoses helpen voorkomen.

 

Antipsychotica vormen de eerst aangewezen medicijnen. Deze helpen helderder te denken en wanen en hallucinaties naar de achtergrond te dringen. Ook verminderen ze klachten als afwezigheid en onbereikbaarheid. Deze medicijnen bevatten stoffen die de prikkeloverdracht tussen de zenuwcellen in de hersenen beïnvloeden.

Het duurt meestal enkele weken voordat het effect van antipsychotica merkbaar wordt. Om een goed effect te bereiken moeten de medicijnen met grote regelmaat worden ingenomen. Bij 10 tot 30 procent van de mensen werken antipsychotica niet of onvoldoende.

Antipsychotica kunnen bijwerkingen hebben. Deze verschillen per persoon. De meest voorkomende bijwerkingen zijn: bewegingsproblemen, lichamelijke onrust, gewichtstoename, gevoelsvervlakking en seksuele problemen. De nieuwere (atypische) antipsychotica hebben minder bijwerkingen en veroorzaken met name minder bewegingsproblemen.

Na de eerste psychose moeten de medicijnen minimaal twee jaar worden gebruikt. Als de diagnose schizofrenie is gesteld, wordt sterk aanbevolen altijd medicijnen te blijven gebruiken. Ook als iemand zich beter voelt. Dit vanwege de grote kans op een volgende psychose.

Soms krijgt iemand antipsychotica in de vorm van injecties. Deze hebben dezelfde werking maar hoeven minder vaak gegeven te worden, namelijk eens per 2 à ´ weken. Zo'n injectie wordt ook wel een depot genoemd.

Als iemand tijdens een psychotische periode erg druk en ontremd is en weinig slaapt, kan lithium worden geadviseerd. Ook kunnen kalmeringsmiddelen en slaappillen worden voorgeschreven om iemand tot rust te brengen en minder angstig te maken.